NIEUWS
WERK
TENTOONSTELLINGEN
TEKSTEN
CONTACT

Image 

THE PROCESSION OF EUROPA
RODERIK SIX

In een leegstaand schoolgebouw treffen we de kunstenaar. Zijn atelier heeft mooie hoge plafonds en kijkt uit op een verlaten speelplaats. Buiten is het donker, we zien alleen ons schimmig spiegelbeeld in het matte glas.
Sven Verhaeghe maakt geen kunstwerken, hij bouwt maquettes voor een film die EUROPA zal heten. Enkel vanuit dat perspectief kan zijn werk volledig begrepen worden. Zijn objecten zijn gestolde gruwelscènes, zijn houtskooltekeningen vormen storyboards en zijn schilderijen zijn panoramische achtergronden.

Deze film is de rode draad doorheen zijn labyrintisch oeuvre.
Deze film is de minotaurus die de kijker door het doolhof jaagt.
Of de film effectief gedraaid zal worden, is louter bijkomstig.

 

 

THE PROCESSION OF  

E U R O P A 

i

A HISTORY OF FEAR,

WORSHIP AND

SUBURBAN LIFE  

 

 

Image
'EUROPA', mixed media op papier, 40 x 30cm, 2009

 

STORYBOARD AND CAST IN
DISORDER AND APPEARANCE

Centraal staat het Tableau Vivant / Table of Content: een collectie van vierentwintig houten kaders, geplaatst in een tabelvorm. Het zijn de basiselementen waarmee Sven Verhaeghe telkens opnieuw aan de slag gaat, elke combinatie geeft vorm aan zijn fascinaties.
Deze archetypes, deze axioma’s komen voort uit aanhoudende theoretische research. Sven Verhaeghe haalt geen inspiratie uit het dagelijkse leven en heeft een afkeer van de anekdotiek omdat die per definitie tijdsgebonden is. Een amalgaam aan wetenschappelijke en culturele bronnen voeden zijn scheppingsdorst. Daarbij geeft hij de voorkeur aan het abberante, dat wat van de norm afwijkt, het apocriefe. Niet omwille van de puberale coolheid van het occulte of de belegen vaagheid van de new age maar uit fascinatie voor wat verloren dreigt te gaan. Hij is bezeten van folklore en oude mythes, de uitgerangeerde waarheden die vroeger het dagelijks leven effectief beïnvloedden, eerder nog dan de geijkte wetenschappelijke algemeenheden. Sven Verhaeghe probeert het volkse te herwaarderen, en schuwt daarbij de kitsch niet, zij het wel in wrange combinaties en zonder voor de hand liggende symboliek.

 

LE CHIEN QUI TRAVERSE L’EUROPE

Zijdelings ontmoeten we een kreupele hond die een karretje voortsleurt, een beeld dat doet denken aan het romantische verhaal van Nello en Patrasche. Deze wereldberoemde mythe geniet in Vlaanderen nauwelijks bekendheid, hoewel ze jaarlijks duizenden toeristen naar Antwerpen lokt. Een schoolvoorbeeld van hoe Sven Verhaeghe een verborgen verhaal weer opvist en herinterpreteert.
Als een komisch spook waart het gebrekkige dier door Europa, niet beladen met melk, maar met eeuwenoude symbolen die vechten voor hun bestaan. Een Christusfiguur met een stevige erectie dreigt overwoekerd te worden door een boom – het woud en de christelijke beschaving zijn ongetwijfeld dé oersymbolen van dit continent.

Praaltochten en al dan niet religieus geïnspireerde processies zijn een weerkerende fascinatie bij Sven Verhaeghe. De combinatie van kitsch, deels oprechte piëteit en een volks feestgevoel is een dankbaar onderwerp.
Het is vreemd dat in een ontkerkelijkt Europa deze stoeten en processies niet vergaan maar integendeel zelfs aan interesse winnen. Waarschijnlijk omdat er een heidens ritueel doorschemert, omdat die parades een diepere symboliek herbergen die over de kerstening heen reikt en de burger opnieuw in contact brengt met oude rituelen.

Hoewel processies een welomlijnd parcours afleggen, blijven ze onderweg. Dit ritueel rondtrekken is bij Sven Verhaeghe een metafoor voor het kunstenaarschap. Het immer op zoek zijn, de aanhoudende cyclische beweging rond een thema tot het omsingeld en onderworpen wordt door de kunstenaar, het belagen van een fascinatie tot het een waar onderwerp wordt.

 

TRAVELLING SHOT:
THE HORROR...THE HORROR...

Sven Verhaeghe put veel inspiratie uit ritjes met de wagen. Daarbij ervaart hij een zekere synchroniciteit tussen zijn meanderende gedachten en de voorbijrazende omgeving. De duistere landschappen van Sven Verhaeghe zijn flitsen uit deze mentale road movie. Ze roepen een dreiging op die aan de jungle uit Joseph Conrad zijn novelle Heart of Darkness doet denken. Francis Ford Coppola baseerde zijn epos Apocalypse Now grotendeels op dit literaire werk. De lange reis die Marlowe / Willard maakt op zoek naar Kurtz is een introspectieve tocht, een afdaling naar de donkerste regionen van de menselijke ziel. Beschaving blijkt in zowel het boek als de film slechts een dun laagje vernis.
De menselijke aanwezigheid lijkt uit te doven in de landschappen van Sven Verhaeghe: de slogans van de reclameborden zijn vervaagd, de ellenlange prikkeldraad heeft iets nutteloos alsof er niemand meer rest om tegen te houden. Soms lijkt het alsof iets groots door de jungle wordt gesleept, of daar eeuwen geleden is stilgevallen.
Het griezelige bij Sven Verhaeghe komt niet zozeer voort uit het donkere kleurgebruik maar uit de duistere suggestie dat de mens op een dag afwezig zal zijn op de aarde, dat de mens een overbodig wezen is, gedoemd om de race tegen de tijd en zichzelf te verliezen.

 

IN BOCCA AL LUPO

Het enthousiasme waarmee de toeschouwer de opgezette vos aanmoedigt in zijn verstilde poging tot wandelen, vertelt veel over de levendigheid van onze verbeelding. Het animisme mag dan als lachwekkend worden beschouwd door de ratio, de hedendaagse mens schenkt nog steeds makkelijk haar eigen gaven en kenmerken aan (huis)dieren.

Vossen en andere bosbewoners blijven beladen met symboliek en niet toevallig duiken in komkommertijd verhalen over wolven op. In de zomer verdwijnt de beschaving naar de achtergrond, wordt er tijd vrij gemaakt en ontspant de mens zich. Dan keert hij terug naar het primitieve, haast letterlijk: hij trekt de natuur in, gaat kamperen, loopt halfnaakt rond – de mens doet dan vrijwillig afstand van de luxe en beschouwt dat als vakantie. In deze basale fase komen de wolven uit het bos en herrijzen de monsters uit de meren.

Het witte gipsen hert van Sven Verhaeghe verwijst naar één van de bekendste en tegelijk meest noodlottige ontmoetingen tussen mens en god. In de Griekse mythologie vinden we het verhaal van Actaeon, een uitmuntend jager die tijdens een jachtpartij met zijn honden op de badende godin Diana stoot. Hij vergaapt zich aan haar naakte schoonheid en de vertoornde Diana tovert hem om tot een hert. Actaeon sterft een tragische dood wanneer zijn eigen honden hem verscheuren.
De lieftallige versie van Sven Verhaeghe kent an sich geen gruwel maar doet eerder denken aan de kitscherige bambi-beeldjes die voortuintjes sieren, samen met de obligate tuinkabouter en de houten windmolen.

 

FESTEN

Ondanks de economische malaise, het afhaken van sponsors en de immer duurdere tickets blijven zomerfestivals een gigantisch succes. Dit mag niet verbazen. Festivals zijn een vrijzone waar druggebruik getolereerd wordt en muziek de bezoeker in vervoering brengt. Opnieuw zijn mensen bereid om zich in hun vrije tijd aan rudimentaire leefomstandigheden over te geven teneinde een groepsgevoel te beleven dat aan bacchanalen doet denken. Wie de opgezweepte massa in ogenschouw neemt, kan niet anders dan over een nieuwe religie te spreken; vreemden verbinden zich opnieuw vreedzaam voor een muzikaal altaar.

In deze vrijzone viert de verbeelding hoogtij. Sven Verhaeghe ziet verbanden met de oogstfeesten, hét oerfestival bij uitstek. In zijn werk vinden we kleine referenties naar de bijhorende folklore: de strooien kruisbeelden, de Mariaverering in de zomermaanden, zelfs Charon laat de lijkkist – compleet met Europese obool – trekken door een zwartgeblakerde tractor.

Sven Verhaeghe verdiepte zich in de geschiedenis van een aantal sektes. Vertrekkend van de lectuur van Rousseau zijn pedagogische roman Émile ou de l’éducation onderzoekt hij de blijkbaar inherente menselijke drang om terug te keren naar de natuur. Rousseau bepleit in zijn boek een nieuwe opvoedingsmethode, ver weg van de corrumperende industriële vooruitgang en zelfs van de verlichtingsideeën waar hij oorspronkelijk zelf de wegbereider van was. Ook laat hij zijn personages een natuurgodsdienst belijden wat hem in problemen bracht met de kerkelijke overheden.
Dat Rousseau het zelf niet zo nauw nam met de opvoeding van zijn eigen bastaardkinderen – hij liet ze in een weeshuis plaatsen - maakt hem des des te interessanter voor de kunstenaar.
De lokroep van een eenvoudig leven in de natuur is een onuitroeibare constante. Schrijverpsychiater Frederik van Eeden stichtte in 1898 de commune Walden.

De naam ontleende hij van het gelijknamige boek van Henry Thoreau die veertig jaar voordien bij wijze van experiment twee jaar lang in een zelfbebouwde hut temidden de wildernis woonde. Van Eeden vertaalde het verslag en gebruikte het als inspiratie voor zijn kolonie. Het socialistische experiment faalde jammerlijk.

Ondanks het feit dat ze gedoemd lijken om te mislukken, duiken communes telkens opnieuw op, hippiekolonies en religieuze sektes blijven schering en inslag. Sven Verhaeghe is gefascineerd door deze sektaire bewegingen; hoe goed de bedoelingen aanvankelijk ook zijn, ze ontaarden steeds opnieuw en draaien meestal uit op een flop. De menselijke koppigheid en dubbelzinnigheid, het geloof in een maakbare maatschappij, het vrijwillige isolement – Sven Verhaeghe oordeelt niet maar maakt dankbaar gebruik van de thematiek. De terugkerende omheiningen, de volksfeesten en dansende mensen in zijn werk, getuigen subtiel van zijn fascinatie.

In de maquettes kan men vaak een licht seksuele ondertoon ontdekken. Opnieuw een verwijzing naar communes en sektes waar de seksuele zeden vaak afwijken van de maatschappelijke normen.
Oorspronkelijk, bij aanvang van het werk, zijn die referenties heel expliciet zichtbaar, op het pornografische af maar de kunstenaar bedekt deze verwijzingen doorheen het scheppingsproces telkens met een nieuwe laag. Zo zindert het bijna subliminaal doorheen het eindresultaat.

 

Image
'WALDEN', houtskool op papier, 180 x 150cm, 2009
 

 

CROSSING THE BORDER WITH MONSIEUR LEBLANC

Kunst is voor Sven Verhaeghe een terugkeer naar het primitieve, het instinctieve en daarbij moeten grenzen verlaten worden. Ook die tussen ernst en kitsch, tussen high en low culture.
Vooral zijn houtskooltekeningen getuigen figuratief van die zoektocht in het grensgebied. Aan de rand van de uitgestrekte wouden prijken nog de laatste symbolen van menselijke aanwezigheid: een leeg reclamepaneel, een half vergaan verkeersbord, een overwoekerd hekken. Daarachter ligt het donkere bos dat ons tegelijk aantrekt en angst inboezemt.
In L’histoire de monsieur Leblanc zien we opnieuw een letterlijke samensmelting van verschillende thema’s in één panorama.
Hoofdpersonage is een beeldje uit biscuit dat vroeger ongetwijfeld een schoorsteenmantel sierde en zich nu heeft overgegeven aan een primitieve nieuwsgierigheid. Tot aan zijn hals verdwijnt hij in een bergachtige structuur. Misschien is het de abstracte personificatie van een godheid, of een afbeelding van het onderbewuste als ondoordringbare rots. De aandachtige toeschouwer zal zijn hoofd opnieuw ontdekken in het witte landschap. Wie wordt nu bekeken? En waarom heeft hij rode wangen? Is het bloed?

 

INTO THE TREES – THE LAST RESORT – A THREESOME

In het eerste deel van een symbolisch drieluik verandert een boom in een fontein en vergroeit een engelenhoofd met de stam. Opnieuw worden twee archetypes – de moeder en het woud – met elkaar verbonden: een letterlijke uitwas van een typisch Mariakapelletje.
Het tweede deel is omvangrijker, hier is sprake van kerkbomen met in het midden een bijna verborgen gehouden zwarte madonna. In de takken slapen vogels, een verwijzing naar een Finse mythe waarin vogels ’s nachts de zielen van de slapenden pikken. Om te vermijden dat de ziel het pad verloor in dromenwereld wordt op het nachtkastje een houten vogel geplaatst, de Sielutintu.
De kathedraal tenslotte is de grootste constructie maar ze is onaf, zoals de Sagrada Familia en Europa in het algemeen: stralend maar immer in aanbouw.
Het woud als religieus oord van herbronning sluit aan bij de thematiek van terugkeer naar de natuur. Doemdenkers zouden dan in het verdwijnen Europese wouden een teloorgang van transcendentie kunnen zien, in het zog van de eeuwige strijd tussen rurale en urbane leefomgeving maar dergelijke naïviteit is niet aan Sven Verhaeghe besteed.
Zijn panoramische landschappen bevatten teveel ‘valse’ elementen zoals de kleine sparretjes die normaal in de buurt van miniatuurtreintjes te vinden zijn. Ook mag de toeschouwer niet vergeten dat de constructies als decors bedoeld zijn. Zoals altijd bij Sven Verhaeghe zijn ze dubbelzinnig: ze alluderen zowel aan de authentieke zoektocht naar diepgang als naar de commerciële uitbating van bungalowparken en ressorts vol tropische zwembaden en fake plastic trees.

 

Image
'OUR VILLAGE', olie op doek, 2008

 

 

CLOSING SCENE: ELYSIAN FIELDS

Het ultieme grensland is de dood. Waar folklore het dagelijkse leven probeert vorm te geven, proberen mythes vat te krijgen op het eeuwige leven. Sven Verhaeghe probeert in zijn kunstwerken beide werelden weer dichter bij elkaar en de toeschouwer te brengen.

De onderwereld was bij de Grieken een sombere plaats vol zwarte bomen en kolkende rivieren. De doden zijn er slechts schimmen die rusteloos en willoos ronddwaalden. Het ‘leven’ na de dood was een sterk verminderde vorm van bewustzijn, wie niet uitzonderlijk goed of slecht geleefd had, leidde een negatief bestaan: geen zonlicht, geen jeugd, geen geestesleven.
Dit staat in fel contrast met de dualistische christelijke visie waarbij een duidelijke splitsing tussen goeden en kwaden wordt gemaakt. Elkeen wordt na de dood beoordeeld en komt in de hemel of de hel terecht. Op beide plaatsen is men zich ten volle bewust van de omgeving, of het nu rijstpap of drietanden betreft.

Toch hadden de Grieken iets gelijkaardig. Uitzonderlijk kwam een sterfelijke terecht in de Elyzeese velden die sporadisch ook als eilanden worden beschreven. De lucht is er helder en fris, de bomen zijn er beladen met bloemen en er vertoeven enkel helden, dichters en filosofen.
Deze Elyzeese Velden werden later herontdekt als Arcadia, een utopisch land vol fruit en bloemen waar minstrelende herdertjes hun schaapjes hoedden. De porseleinen afbeeldingen van dit land bevolkten menig schoorsteenmantel. Niet toevallig worden
ze door Sven Verhaeghe gerecycleerd en indien nodig verminkt. Ontdaan van hun kitsch en eventueel bepaalde lichaamsdelen komen ze in een nieuw Gloryland terecht.

De alomtegenwoordige griezelige leegte en uitdovende menselijke aanwezigheid in de werken refereert naar deze donkere onderwereld. Dorre weides, landschappen vol gerecycleerd afval, afgebrande koetsen, dikke witte gipslagen die alles bedekken als gestolde lava – echt opbeurend is het werk van Sven Verhaeghe niet. Hoewel het in eerste instantie wel grappige elementen bevat, de kitsch zorgt voor een monkellach van herkenning, krijgt het tragische en desolate snel de bovenhand.

De kunst van Sven Verhaeghe doet ons nadenken over onze positie in de wereld. Hoe betrekkelijk is ons bestaan? Wat is authenticiteit en hoe kunnen we die bereiken? Wat is ‘echt’ en wat ‘vals’ en hoe definiëren we die termen? Zijn we vrije wezens of koesteren we slechts welwillend die illusie? Hoe diep wortelen we in het verleden en kunnen we ons wel losrukken van de geschiedenis?

Zijn werk is niet eenduidig. Het zweemt tussen kunst en kitsch, schemert tussen licht en donker. Soms is het grappig, vaak is het wrang. La condition humaine is bij Sven Verhaeghe van een tragische aard, zij het met een homerische lach op de achtergrond. De toeschouwer wordt uitgedaagd met dubbele bodems, een rits diep verborgen referenties en bijzonder duistere taferelen.
Alsof we in een zwarte spiegel kijken.
Alsof we onszelf op pelicule tegenkomen.