Ik moet geslapen hebben. Het licht was doffer geworden, de inval verschoven. Alles in de kamer stond nog op dezelfde plaats maar dan valer. Het praatprogramma op de radio dat ik met een half oor aan het volgen was, is omgeslagen in muzikaal gekabbel. Ik moet geslapen hebben maar kon me de slaap niet herinneren. Hoogstens een droomloos zwart gat waarin wat tijd verloren was geraakt. Tussen twee knipperbewegingen door heb ik de wereld uit het oog verloren. Op het eerste zicht was er niets gebeurd, niets veranderd. Mijn tong smaakt wrang, naar de droesem van de slaap. Met de punt rasp ik over de droge ribbels van het verhemelte; het is alsof ik een agedis lik. Ik reik naar het waterglas dat altijd klaarstaat maar er zit niks meer in, hoewel ik zeker ben dat ik het aan de kraan heb bijgevuld, nog voor het praatprogramma begon. De kalkafzetting op de bodem liegt niet: het is leeg. Is het dan verdampt? Hoe lang heb ik wel geslapen? Ik tuur naar de pendule op de schoorsteenmantel maar kan de wijzers niet ontwaren. De gouden benen dansen traag over de zwarte plaat. Ook mijn ogen zijn droog en prikken alsof mijn wimpers tijdens mijn slaap naar binnen zijn gegroeid. Vocht zou me nu goed doen. Ik moet opstaan, me naar de badkamer begeven, gulzig water opslurpen uit de kom van mijn hand en daarna in mijn gezicht plenzen. Ik moet opstaan maar denk er nog even over na. Mijn linkerarm ligt levenloos in mijn schoot. Ze maakt meer deel uit van de kamer dan ze mij toebehoort. Overal zijn de bloedbanen afgesnoerd, mijn lichaam nog deels gegijzeld door de slaap. De onderste ledematen zijn twee blokken beton die men tijdens mijn afwezigheid aan de houten vloer vastgeankerd heeft. Dra zal het tintelen beginnen. Van binnen zullen ze ontdooien, het beton zal smelten maar de moules blijven nog een tijdje hard. Waar ooit spieren, pezen en zenuwen zaten, schuiven nu kiezels door houten kokers. Het is een deugdzame pijn, elke uithaal brengt verlichting. Het is een leed waar je kotsmisselijk van wordt maar ook purgeert. In plaats van te wachten tot alles zich gerangschikt heeft, zal ik onverhoeds en veel te vroeg opstaan om dan over de plankenvloer te waggelen als een dekmatroos met een houten been en een kater op zoek naar water. De korrels en de droogte laat zich makkelijk wegspoelen, de loomte niet. Ergens in mijn achterhoofd spookt een droom rond. De zwarte naweeën van een schedelgeboorte branden tussen mijn oren maar uit de golven kan ik geen drenkeling redden. Hun aanklampende handen ontglippen me telkenmale, meer nog: mijn geest lijkt moeite te doen om de vloed te breken, de drenkelingen kopje onder te duwen en de zee van onzichtbare beelden met zware stenen te begraven. Ik gun haar haar zin. Ergens heb ik het vermoeden dat het zo beter is, dat ik me dit niet hoef te herinneren. Maar getroost: ik heb dus toch gedroomd, ik ben er zeker van, de tijd is niet zomaar zonder inhoud vervlogen. De wereld is tijdens mijn afwezigheid niet verdwenen, ze heeft zich enkel een ander masker opgezet en ik had haar niet herkend. Een frisse avondwandeling dringt zich op. Weg uit dit muffe hol, de zinnen wat verzetten, weer bloed door de aders, lucht door de longen. En met de afwisseling die een havenstad elke avond biedt, zal ik ook deze loomte vergeten, dat zwaar gevoel dat op mijn schouders drukt en me letterlijk neerslachtig maakt. Ik schud nog eens met mijn hoofd, schiet nog eens op de schimmen maar schijn hen niet te raken. Zelfs hun lijken kan ik niet bekijken. Kom laat ons gaan, de nacht is nog jong, de stad leeft als nooit tevoren. Op de gang kom ik niemand tegen. De raampjes boven de deuren zijn beslagen met de damp van het avondeten. Je hoort er vrolijk gekwebbel en het gekletter van bestek. De werkdag zit erop, het gezin is herenigd. Hun uitwasemingen vormen een lichte nevel op de schaars verlichte overloop. Beneden aan de trappen hoor ik nog net de voordeur dichtplooien. Ze kraakt nog even in haar hengsels en klapt dan helemaal toe. Ik zal te laat zijn om mijn medebewoner in te halen en te groeten, die zal al de hoek om zijn voor ik alle trappen heb gedaan. In mijn postvakje blinkt een rode envelop maar ik heb het sleuteltje op mijn kamer laten liggen. Nochtans had ik eerder die avond, voor mijn onverkwikkelijke slaap, mijn vakje geopend en niets bijzonders gevonden. Als ik mijn neus in de gleuf druk om de afzender aan het donker te ontfutselen, kan ik zweren dat de omslag naar parfum ruikt maar misschien heeft dat eerder te maken met de verse passage van mijn medebewoner. Hoedanook, het zal voor morgen zijn, nu lonkt de nacht en die ga ik niet besteden aan brieven lezen. Het is warmer dan verwacht. September toont zich mild en ik koester me in haar zwoelte. Een koel bries doet me even rillen, daarna lijk ik weer op te lossen in de buitenlucht. Ik kan niet bepalen waar mijn huid de wereld raakt, ik vloei mooi over als ben ik een wandelende wolk. Hoewel de straat verlaten is, gonst de stad en lijkt ze zich op te maken voor een groots feest. De lucht staat gespannen van verwachting, je kan het zinderen haast aanraken. Ik sla de hoek om. Er is niemand te zien. De brede laan die van het stadshart helemaal tot aan de haven loopt, is aan weerszijden beplant met jonge bomen, hun gebladerte donkergroen, ritselend in een zuchtje wind dat ik niet kan voelen. In de verte staat een eenzame wagen aan een kruispunt te wachten. De uitlaatgassen stromen sloom over de weg, blijven aan het asfalt plakken als willen ze proper in de riool verdwijnen. Het licht springt op groen, de motor loeit maar de wagen vertrekt niet. Ongetwijfeld haalt de jeugd een geintje uit. Ze zijn jong, hoeven zich voor niemand te haasten – de weg is van hen alleen. Is dit niet de hoogste vorm van vrijheid: laten wat je mag en daarvan genieten? Ik nader de wagen. De rode achterlichten worden feller, op de achterbank kan ik silhouetten onderscheiden. De wagen danst wat op haar veren, het plezier van een wiegelied. Het licht staat terug op rood. Ook nu blijven ze braaf staan, de omkering is nergens voor nodig, hoeft niet, ze scheppen geen genot in wetten breken hoewel niemand hen dat kwalijk zou nemen, of kunnen nemen want er is nog steeds geen levende ziel te bespeuren. Net als ik langszij kom en ik de bestuurder mijn mooiste medeplichtige glimlach wil schenken, springt het licht op groen. Traag, zonder enige nijd, trekt de wagen op, versnelt en zeilt weg, de nacht in. Ik volg de achterlichten, twee rode stippen op een zwart canvas tot ze achter een glooiing in de weg verdwijnen. Vanuit de baai komt een flard zeegeur mijn neus prikkelen en een vaag hongergevoel bekruipt mijn maag. Waarschijnlijk de gedachte aan winterse strandwandelingen gevolgd door kannen koffie en stapels gebak. Ik nestel me op een terras, het is er net warm genoeg voor. Verder zijn er geen andere klanten. Boven me flikkert een slinger lichtjes, afwisselend in rood, groen en witte kleur. Er zit een patroon in de knipperbeweging maar ik kan het niet meteen ontcijferen. Mijn blik moet even verdwaald geraakt zijn in een dagdroom want plots schrik ik op en ontwaar een dampende kom soep voor mijn neus. De ober zal een man van weinig woorden zijn, een goede verstaander die aan een halfje genoeg heeft. Misschien heb ik iets gemompeld, misschien spreken we elkaars taal niet wat best kan in deze stad waar de wereld aanmeert, misschien was hij het wachten moe of gunde hij me net mijn eenvoudig genot van oplichtende lampjes in een slinger. Als ik de soep opgelepeld heb, komt hij alsnog tevoorschijn, zij het dat hij dat half achter me blijft staan en ik mijn nek in een pijnlijk bocht moet wringen om hem aan te kunnen kijken. Dan nog kan ik niet uitmaken wie ik nu juist voor me heb, want zijn gelaat verdwijnt in de straling van de felle neonlampen die achter hem, boven de deur, iets aanprijzen. Mijn ober is een gezichtsloos wezen met een stralenkrans. Zijn gelaat lijkt zo wel egaal met plaaster bedekt, een wazige holte in een fel wit licht. Alsof de portretschilder plots beslist had om met de natte vinger door de verf te gaan en alle gelaatstrekken uit te wissen. Hij prevelt iets in een taal die ik niet begrijp; ik knik beleefd en hef mijn handen hulpeloos in de lucht, het is me allemaal eender. Wat moet ik met een kaart die ik niet lezen kan? Van achter me verschijnt een bord met daaraan een arm waarover een wit servet is gedrapeerd. Er worden wat onverstaanbare beleefdheidsformules uitgewisseld en ik begin te eten. Als ik halverwege de maaltijd pauzeer, zie ik hoe de hoogste gevels van oude en nieuwe gebouwen aan de overkant oplichten in de nacht. In de stad moet een groots festijn aan de gang zijn, hoogstwaarschijnlijk met een lichtspektakel of zelfs vuurwerk. In mijn achterhoofd speelt mijn droom weer op. Ze maakt aanstalten wat beelden op de kust te gooien maar ik druk de kurk weer op de fles. Als een vuurgloed ermee te maken heeft, wens ik er liever niets van de weten. Ik blijf naar boven kijken. Hoe leuk moet het niet zijn daar in de hoogste kamers te wonen en je woonplaats te zien opgloeien met elke knal. Om maar te zwijgen over het uitzicht op al die feestelijkheden waar ik met mijn rug naartoe zit. Jaloezie is nooit ergens goed voor want in al dat gegaap is mijn halfvol bord van tafel verdwenen. In een ruk wil ik opstaan om te klagen maar ik beheers me; ik voorzie alleen maar één grote onaangename spraakverwarring die uiteindelijk nergens op uitdraait. Maar hij krijgt geen fooi, dat spreekt voor zich. Ik blijf nog een tijdje zitten en zoek iets om mijn blik op te vestigen; mensen nakijken is de beste reden om een terras te doen. Maar de stad heeft blijkbaar al haar bewoners aan haar borst gedrukt: iedereen is naar de kern voor het grote feest. De straat is leeg. Geen bejaarde die zijn hond uitlaat, geen verdwaalde reiziger. Er komt een strakke bries opzetten, ik duik dieper in mijn kraag. De baai waarop deze stad gebouwd is omhelst de zee en deelt in haar klimaat. De zee kent zo haar grillen maar we beminnen haar onvoorwaardelijk. De wind zwakt af. Het wordt weer stiller. Omdat de ober duidelijk geen haast heeft om af te rekenen en ik mijn weg wil verderzetten, besluit ik hem tegemoet te komen en zelf te betalen. Ik duw de deur open en tref een leeg café aan. De stoelen staan op tafel, in de rekken blinken de glazen, over de tapkast hangen handdoeken te drogen. Ik zou kunnen roepen maar doe het niet. Ze zijn me duidelijk vergeten. In zeven haasten naar het feest en me achtergelaten. Ik vertrek zonder te betalen. Het zal hen leren. Terug op de laan besluit ik haar helemaal af te wandelen om dan de zee te groeten. Daar zal het rustig zijn, de stad tolt rond zichzelf, heeft de handen vol met het feest, iedereen is de zee vergeten. Een doelloze wandeling heeft trouwens iets triest; dan lijken het louter zwerftochten. Uit een steegje weerklinkt gejoel. Als ik de hoek omkijk, zie ik nog net een groepje kinderen verdwijnen. Ze laten een spoor veelkleurige slingers na, een wolk confetti dwarrelt traag naar beneden. Het weze hen gegund, vandaag wordt het voor iedereen laat. De gebouwen dunnen uit. De straatlantaarns worden schaarser. Braakliggende terreinen wacht op hun bestemming. Pakhuizen waarvan de onderste ramen met platen zijn dichtgenageld. Op scheepswerven liggen sommige boten al jaren weg te rotten; een vreselijk lot om aan wal te sterven eens je de wereldzeeën bedwongen hebt. Het is wachten op de kiosken en de lampions, wachten op de barakken waar pleziervaarten en strandstoeltjes verkocht worden, wachten op de kraampjes met grote ballons in alle vormen en die kleine windmolentjes die in het zand geplant worden. Het is wachten. Een vreemd tafereel: te midden van een omheind terrein staat een gestrand autowrak in brand. Maar er staat niemand rond om de handen te warmen. Het rulle zand krult zich om mijn tenen. Net onder de lauwe korst groeit de koelte en ik graai ernaar met mijn klauwen. Blootsvoets ben ik het strand opgegaan, mijn schoenen ergens achtergelaten. Rond me hangt de weeë geur van zout en algen. Ik ben omgeven door de warme nacht. Het slaan van de golven en het ruisen van het schuim overstemt het feestgedruis. Van de stad is niks meer te horen. Hier heerst de zee. Naakt sta ik aan de waterlijn, mijn kleren heb ik ergens begraven. Aarzelend verkent het water mijn lichaam, raakt behoedzaam mijn enkels aan en trekt zich dan beleefd terug. Ze tast me af. Ze wacht. Ik treed de zee tegemoet. Ze ontvangt met open armen, overspoelt me speels maar laat me ademen. Haar vlokken spatten in mijn gelaat. Ik proef haar kracht. Ze smaakt naar zee. Ik word opgetild. Ik peddel een paar trapjes en raak de bodem voor de laatste maal. De aarde laat me los. Nu ben ik ver genoeg. De zee is breed en kalm. Ik ga op mijn rug liggen en drijf. Ik drijf. | | |